Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Uitspraak



99/1082 WVG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 28 januari 1997 heeft gedaagde geweigerd appellante - in het

kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Verordening

voorzieningen gehandicapten gemeente 's-Gravenhage - in aanmerking te brengen

voor een verhuiskostenvergoeding.

Gedaagde heeft het namens appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar bij

het bestreden besluit van 20 januari 1998 gegrond verklaard, en appellante

alsnog in aanmerking gebracht voor een verhuiskostenvergoeding van f 2.500,--.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 19 januari

1999 het tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Van die uitspraak is mr E.A. Mink, advocaat te 's-Gravenhage, namens appellante

in hoger beroep gekomen op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2000,

waar mr E.A. Mink, voornoemd, namens appellante is verschenen en waar gedaagde

zich heeft doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente

's-Gravenhage.

II. MOTIVERING

De hierna volgende gegevens van feitelijke aard zijn niet betwist en vormen

voor de Raad het uitgangspunt bij de beoordeling van dit geding.

Appellante heeft op 19 oktober 1996 een aanvraag om een verhuiskostenvergoeding

ingediend en daarbij aangegeven dat zij vermoedelijk eind november 1996 zou

gaan verhuizen. Vast staat dat appellante eind november 1996 is verhuisd naar

de woning waarvoor de verhuiskostenvergoeding was bestemd. Eveneens staat vast

dat de hoogte van de verhuiskostenvergoeding tot 1 januari 1997 maximaal

f 2.500,-- bedroeg, en dat voornoemd bedrag (ingevolge artikel 4.4. sub c.1 van

gedaagdes Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten) met

ingang van 1 januari 1997 is gewijzigd en verhoogd tot een bedrag van f 4.500,--.

Gedaagde is van opvatting dat appellante bij het bestreden besluit van 20

januari 1998 terecht in aanmerking is gebracht voor een verhuiskostenvergoeding

van f 2.500,--, terwijl appellante kort gezegd van mening is dat gedaagde de

voor haar gunstiger regeling ten tijde van het primaire besluit had behoren toe te passen.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Het oordeel van de

rechtbank komt er op neer dat het recht dient te worden toegepast zoals dat

gold ten tijde van de aanvraag van de verhuiskostenvergoeding, nu die

vergoeding is gevraagd voor een verhuizing die heeft plaatsgevonden vóór

inwerkingtreding van de wijziging van het normbedrag.

De Raad is in het voetspoor van de rechtbank - en in de lijn van zijn eerdere

uitspraak gepubliceerd in USZ 1997/45 - van oordeel dat de aanspraken van

appellante op een verhuiskostenvergoeding in dit geval beoordeeld dienen te

worden naar de regelgeving zoals die gold op het tijdstip waarop die aanspraken

betrekking hebben, te weten de datum van verhuizing. Nu die verhuizing eind

november 1996 heeft plaatsgevonden heeft gedaagde terecht bij het bestreden

besluit aan appellante een verhuiskostenvergoeding toegekend van f 2.500,--.

In hetgeen namens appellante in hoger beroep schriftelijk en mondeling is aangevoerd

heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een ander oordeel.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging

in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en mr Ch. de Vrey en

mr D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

JdB

1102


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature