Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verhuis- en herinrichtingskosten; medische noodzaak; eenmaligheid.

Uitspraak



E N K E L V O U D I G E K A M E R

98/1517 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A te B, eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 14 januari 1998, kenmerk A 62747/BZ 35516/98/9, heeft

verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet

uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Als gemachtigde van eiser heeft mr A.H. Punt-Koopmans, advocaat te Leeuwarden,

tegen dat besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is

aangegeven waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting op 6 januari 2000. Aldaar is eiser

verschenen bij mr Punt-Koopmans voornoemd als zijn gemachtigde, terwijl

verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.M. Krol, werkzaam bij de

Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser is vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945, verder te noemen: de Wet. Op grond van invaliderende psychische

klachten is hem ingevolge de Wet met ingang van 1 januari 1982 een periodieke

uitkering toegekend. Tevens is hij voor enige bijzondere voorzieningen ingevolge

de Wet in aanmerking gebracht.

Bij beslissing van 15 januari 1990 heeft de voormalige Uitkeringsraad aan eiser

een gemaximeerde vergoeding toegekend voor de kosten verbonden aan diens

repatriëring uit het in Duitsland gelegen Siegsdorf naar Nederland, waar eiser

zich metterwoon vestigde in C.

Een in februari 1993 ingediend verzoek van eiser om toekenning van een

vergoeding van de verhuis- en herinrichtingskosten in verband met een verhuizing

van C naar D heeft verweerster afgewezen bij besluit van 22 november 1993, zoals

na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 1994. Daarbij achtte verweerster

uit de ingewonnen medische informatie niet gebleken van een voor deze

verhuizing, op grond van de met de vervolging samenhangende ziekten of gebreken

van eiser, strikte medische indicatie.

In mei 1997 heeft eiser zich opnieuw tot verweerster gewend met het verzoek om

vergoeding van de kosten verbonden aan een voorgenomen verhuizing, thans van D

naar B. Onder overlegging van een verklaring van zijn toenmalige huisarts W.F.

Feijen te Julianadorp, heeft eiser aangegeven dat hij dreigt te vereenzamen door

het gebrek aan sociale contacten in zijn woonplaats. In het deze aanvullende

aanvraag begeleidende sociaal rapport heeft eiser daaraan toegevoegd dat zijn

psychische klachten verergeren door het militair vertoon in zijn woonomgeving.

Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 22 augustus 1997, zoals

na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de

verhuizing naar B niet strikt medisch geïndiceerd is. Daarbij is voorts

overwogen dat de gevraagde voorziening op beleidsmatige gronden moet worden

afgewezen, nu eiser al eerder een vergoeding voor verhuis- en

herinrichtingskosten had ontvangen en zich in zijn geval geen zodanige

omstandigheden voordoen, dat niettemin een vergoeding moet worden toegekend.

Ook in beroep is van de kant van eiser ingebracht dat hem weliswaar in het

verleden in verband met zijn repatriëring van Duitsland naar Nederland een

voorziening ingevolge de Wet is toegekend, maar dat deze voorziening niet gelijk

staat aan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten. Voorts is

gewezen op een reeds in de fase van bezwaar ingezonden verklaring van de

huisarts Feijen voornoemd, waaruit naar de opvatting van eiser blijkt dat voor

de verhuizing naar B een medische noodzaak bestaat.

De Raad die de vraag heeft te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte

kan standhouden, overweegt als volgt.

Vaststaat dat eiser in 1990 een vergoeding heeft ontvangen voor de kosten welke

verband hielden met zijn repatriëring van Duitsland naar Nederland. Anders dan

van de kant van eiser is bepleit, kan de Raad niet inzien dat de omstandigheden

die destijds tot eisers repatriëring hebben geleid zodanig verschillen van die

welke in het algemeen aan een medisch noodzakelijke verhuizing ten grondslag

liggen, dat de aan eiser toegekende voorziening niet gelijk staat aan een

vergoeding van de kosten van verhuizing en herinrichting.

Hoewel de Raad, met name gelet op de aard van de onderhavige voorziening, oog

heeft voor het uitgangspunt van verweerster dat een vergoeding van de kosten

verbonden aan een medisch noodzakelijk geachte verhuizing in beginsel eenmalig

wordt verstrekt, waarbij de gedachte is dat sprake is van een adequate

verhuizing, wijst de Raad erop dat waar het gaat om de toepassing van artikel 20

van de Wet, welk voorschrift ziet op een volledige vergoeding van extra, medisch

noodzakelijk geachte, kosten, aan verweerster geen beleidsvrijheid toekomt.

Dit betekent dat de omstandigheid dat aan een vervolgde, aan wie eerder op grond

van artikel 20 van de Wet een vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten is

toegekend, en die zich op strikte medische gronden nadien opnieuw gesteld ziet

voor een verhuizing, niet zonder meer kan worden voorgehouden dat de daaraan

verbonden kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat al eerder een

dergelijke voorziening is verstrekt. Voor zover de toepassing die verweerster

met betrekking tot deze voorziening voor ogen staat, voldoende ruimte laat voor

uitzonderingsgevallen in vorenbedoelde zin, acht de Raad een en ander

verenigbaar met het bepaalde in artikel 20 van de Wet.

Wat nu betreft het geval van eiser, heeft de Raad in de beschikbare medische

gegevens onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat voor

de verhuizing van D naar B een strikte medische noodzaak bestond. Ook de Raad

heeft aan de verklaringen van eisers voormalige huisarts niet een zodanige, voor

de toepassing van artikel 20 van de Wet vereiste, strikte medische indicatie

voor de verhuizing kunnen ontlenen. Verweerster heeft de gevraagde vergoeding

dan ook op goede gronden afgewezen.

Op grond van het vorenstaande beantwoordt de Raad de hoger geformuleerde vraag

bevestigend.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een

vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van mr A.W.E. de Rooij

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2000.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.W.E. de Rooij.

HD

10.01


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature