Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kan de weigering betrokkene een vergoeding te geven voor het aanbrengen een tillift in de woning van haar ouders de rechtelijke toets doorstaan?

Uitspraak



98/5894 WVG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Sneek, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 10 december 1997 heeft appellant mededeling

gedaan van een besluit op een door gedaagde gedane aanvraag om

haar ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de

op die wet gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten

gemeente Sneek 1997 (nader te noemen de Verordening) in

aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten verbonden

aan het plaatsen van een tillift in de woning van haar ouders.

Appellant heeft de bezwaren van gedaagde tegen dat besluit bij

het bestreden besluit van 10 maart 1998 ongegrond verklaard.

De president van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden

heeft bij uitspraak van 23 juni 1998 (de aangevallen

uitspraak) naar aanleiding van een door gedaagde in het kader

van haar beroep tegen het bestreden besluit gedaan verzoek om

een voorlopige voorziening, dat beroep onder toepassing van

artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond

verklaard en het bestreden besluit vernietigd en voorts het

verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Appellant is van die uitspraak, voor zover deze de toepassing

van artikel 8:86 van de Awb betreft, op daartoe aangevoerde

gronden in hoger beroep gekomen.

Namens betrokkene heeft mr R.J. Wevers, advocaat te Bolsward,

bij schrijven van 7 december 1998 van verweer gediend. Namens

appellant is op 15 december 1998 een repliek ingezonden,

waarop van de kant van gedaagde op 24 december 1998 van

dupliek is gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5

februari 1999, waar appellant zich heeft doen

vertegenwoordigen door drs W.J.M. Peters, werkzaam bij de

Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en waar namens gedaagde

is verschenen mr Wevers voornoemd.

II. MOTIVERING

Op 25 november 1997 heeft gedaagde, verblijvende in een op

grond van artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere

Ziektekosten (AWBZ) erkende instelling, de aanvraag gedaan om

- met het oog op het regelmatig kunnen bezoeken van haar

ouderlijk huis - in aanmerking te komen voor vergoeding van de

kosten van het ophogen van de stoep bij de achterdeur en van

het plaatsen van een tillift in die woning, zodat zij tranfers

zou kunnen maken vanuit haar rolstoel naar een bed teneinde

(onder meer) zich te kunnen verschonen.

Bij besluit in primo van 10 december 1997 is een

tegemoetkoming toegekend in de kosten van het ophogen van

voornoemde stoep, maar is de aanvraag wat betreft de gewenste

tillift afgewezen op de grond dat op basis van de Verordening

slechts het bereikbaar maken van de woonkamer en een toilet in

aanmerking kan worden gebracht voor een financiële

tegemoetkoming.

In het kader van de behandeling van het tegen die afwijzing

ingediende bezwaarschrift is op 29 januari 1998 door het Buro

Zorgtoewijzing Zuidwest Friesland een rapport uitgebracht,

waarna het bezwaar van gedaagde door appellant bij het

bestreden besluit ongegrond is verklaard. Daartoe is in het

bijzonder verwezen naar artikel 2.7, tweede tot en met vijfde

lid, van de Verordening. Voorts is in het bestreden besluit

onder meer overwogen dat er geen reden wordt gezien om de

hardheidsclausule van de Verordening toe te passen, daar het

toepassen van de Verordening in de gegeven omstandigheden niet

zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

De president van de rechtbank heeft de in hoger beroep

aangevochten vernietiging van het bestreden besluit in

hoofdzaak gebaseerd op het oordeel dat appellant een te

beperkte uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2. 7

van de Verordening. Uit het gegeven dat daarin het toilet

wordt genoemd als ruimte die bereikbaar moet zijn leidt de

president af dat in het kader van het bezoekbaar maken van een

woning een vorm van toiletgang mogelijk moet worden gemaakt.

Voor gedaagde beschouwt de president het bed als onderdeel van

de toiletgang, zodat de daarbij nodige tillift kan worden

gezien als een voorziening welke onder het bereik van genoemde

bepaling valt.

In hoger beroep zijn van de kant van appellant de

achtergronden van de toepasselijke bepalingen uiteengezet.

Hetgeen zijnerzijds voorts is betoogd komt erop neer dat het

aanbrengen van een tillift niet een eenvoudige aanpassing is,

zoals het toegankelijk maken van de woonkamer of het toilet.

Van de kant van gedaagde is in hoger beroep de zienswijze van

de rechtbank onderschreven en beklemtoond dat de gevraagde

voorziening van wezenlijk belang is om voor haar het bezoeken

van het ouderlijk huis mogelijk te maken.

De Raad moet in dit geding de vraag beantwoorden of het

bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De Raad

overweegt daaromtrent als volgt.

In artikel 2.7, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat

alleen een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing

wordt verleend als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in

de desbetreffende woonruimte. Volgens het tweede lid van

artikel 2.7 van de Verordening kan in afwijking daarvan een

tegemoetkoming worden verleend in de kosten van aanpassing van

één woonruimte, als de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft

in een AWBZ-gefinancierde inrichting. In artikel 2.7, vierde

lid, wordt aangegeven dat de tegemoetkoming slechts het

bezoekbaar maken van de woonruimte betreft, hetgeen in het

vijfde lid wordt gepreciseerd in die zin dat onder bezoekbaar

maken slechts wordt verstaan dat de gehandicapte de

woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken.

De Raad stelt derhalve vast dat de regeling betreffende het

bezoekbaar maken van de woning een uitzonderingskarakter

heeft, welke betrekking heeft op de krachtens artikel 2,

tweede lid, van de Wvg van de zorgplicht van die wet

uitgezonderde categorie, en waarvan de werkingssfeer bovendien

nog wordt beperkt tot de (in het vijfde lid van artikel 2. 7 )

limitatief opgesomde objecten van woningaanpassing. De aard en

opzet van deze verordeningsbepaling rechtvaardigen dan ook een

strikte toepassing daarvan door het gemeentebestuur.

Gelet op het voorgaande ziet de Raad in artikel 2.7 van de

Verordening en in het bijzonder in het vijfde lid daarvan geen

ruimte om deze bepaling, wat betreft het aspect toiletgang,

van toepassing te achten op vormen van woningaanpassing welke

niet rechtstreeks het toegankelijk maken van een toiletruimte

betreffen. Het plaatsen van een tillift als door gedaagde

beoogd is dan ook niet onder die verordeningsbepaling te

brengen.

Betreffende de weigering van appellant om gebruik te maken van

de hardheidsclausule van de Verordening verwijst de Raad naar

hetgeen hij omtrent toepassing van een dergelijke bepaling

heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 juni 1998 (USZ

1998/224). De Raad is dan ook van oordeel dat die

hardheidsclausule geen grondslag biedt om appellant gehouden

te achten ten behoeve van de onderwerpelijke categorie

gehandicapten een tegemoetkoming te verlenen in de kosten van

het bezoekbaar maken van een woonruimte buiten de gevallen

waartoe de regelgever zulks blijkens het bepaalde in artikel

2.7 welbewust heeft willen beperken. Ook op dit punt kan de in

geding zijnde besluitvorming van appellant derhalve de

rechterlijke toets doorstaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen

uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in

aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond

moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ten overvloede in dit geding merkt de Raad nog op dat hij zich

ervan bewust is dat, gelijk ook in het voorliggende geval,

voor bewoners van AWBZ-inrichtingen het bezoeken van de

ouderlijke woning in veel gevallen van wezenlijk belang is en

dat voor zowel die gehandicapten als hun ouders op dit vlak

soms problematische situaties bestaan. Ook onderkent de Raad

dat hetgeen daaromtrent in de gemeentelijke verordeningen

krachtens de WVG is geregeld niet steeds tot door de

betrokkenen als redelijk ervaren uitkomsten leidt. De Raad

wijst er echter op dat het de rechter niet toekomt om de

zorgplicht van de bevoegde gemeentebesturen op dit punt op

enigerlei wijze te verruimen, doch dat het tot de

verantwoordelijkheid van de wetgever behoort om dienaangaande

keuzes te maken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en

mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in

tegenwoordigheid van mr drs A.M. Overbeeke als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 19 maart 1999.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A.M. Overbeeke.

JdB

1203


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature